Pensioenfondsbestuur; de samenstelling & wijziging hiervan

Een pensioenfondsbestuur heeft een paritair, een onafhankelijk of een gemengd bestuur. Binnen een gemengd bestuur bestaan weer drie vormen.

 

Paritair bestuur

Bij een paritair bestuur van een bedrijfstakpensioenfonds regelt artikel 100 van de Pensioenwet dat de belanghebbenden op een zo evenwichtig mogelijke wijze vertegenwoordigd zijn. Hieraan wordt wel toegevoegd dat de vertegenwoordigers van werknemersverenigingen en pensioengerechtigden tezamen ten minste evenveel zetels bezetten als de vertegenwoordigers van de werkgeversverenigingen. Met andere woorden, de werkgeversvertegenwoordiging mag op juridische gronden niet groter zijn.

Vertegenwoordigers van de pensioengerechtigden vertegenwoordigen niet meer dan 25% van het aantal zetels dat zij samen met de vertegenwoordigers tezamen toebedeeld hebben gekregen. In feite gelden dezelfde regels voor een ondernemingspensioenfonds. Aan een paritair bestuur mogen maximaal twee bestuurders toegevoegd worden, die geen directe vertegenwoordiger van de belanghebbenden bij het pensioenfonds zijn. Deze regels gelden ook bij een gemengd paritair bestuur voor de uitvoerende bestuurders.

Artikel 102 Pensioenwet regelt vervolgens hoe de zetelverdeling tussen pensioengerechtigden en werknemersvertegenwoordigers moet plaatsvinden. Kort gezegd komt het erop neer dat de verdeling moet plaatsvinden op basis van de onderlinge getalsverhoudingen. In aanvulling hierop geldt dat pensioengerechtigden niet meer dan de helft van de totale zetels voor gepensioneerden en werknemersvertegenwoordigers mogen bezetten. Hiervan mag weer worden afgeweken als partijen het hier onderling over eens zijn. Bij een ondernemingspensioenfonds waarbij het aantal deelnemers minder dan 10% van het totale aantal deelnemers en gepensioneerden bedraagt, mogen pensioengerechtigden meer zetels hebben, zelfs tot 50% op grond van artikel 100 lid 2 PW.

 

Het is momenteel een trend dat het aantal pensioengerechtigden binnen een pensioenfonds toeneemt. De samenleving vergrijst immers, met als gevolg steeds meer gepensioneerden.

 

 

Wat nu als de behoefte ontstaat om de samenstelling (aantal zetels) van het bestuur te veranderen?

Dit kan ingegeven worden door diverse redenen. Bijvoorbeeld zoals gezegd de toename van het aantal pensioengerechtigden, het maken van een efficiencyslag, of het oprichten van een aparte onderhandelingstafel. Echter, dit kan tot gevolg hebben dat één van de belanghebbende een of meer zetels moet inleveren. Het is dan natuurlijk de vraag of dat dit wenselijk en mogelijk is voor deze groep belanghebbenden.

 

 

Waar moet dan op gelet worden?

Uiteraard blijft het wettelijk kader van de Pensioenwet relevant om te bepalen wat hierin mogelijk is. Hierin worden immers de spelregels vastgelegd voor het bepalen van de (onderlinge) zetelverdeling. Echter, ook de statuten spelen bij een dergelijk voornemen een belangrijke rol. Sterker nog, om tot een dergelijk besluit te kunnen komen, is het zeer waarschijnlijk noodzakelijk om tot een statutenwijziging te komen. Het wijzigen van statuten moet bij een stichting zijn geregeld in de statuten (artikel 2:293 BW). Ook hier dienen de geldende regels en afspraken gevolgd te worden.

En met name van belang is hoe de onderlinge getalsverhoudingen bepaald worden. Is het uitgangspunt representativiteit en zo ja, hoe wordt die representativiteit bepaald.

Kortom, indien om wat voor reden dan ook het wenselijk is om tot een wijziging van de bestuurssamenstelling te komen van een paritair (gemengd) pensioenfondsbestuur, dan komen er de nodige aandachtspunten om de hoek kijken. Een helder bewustzijn hiervan bij alle vertegenwoordigers van de belanghebbenden, is hierbij van groot belang.

Mocht een dergelijke bestuurswijziging spelen, dan is Gommer & Partners Pensioen Advocaten u graag van dienst.

mr Linda Evers MPLA
Associate Partner

 

 


Naar het overzicht