Adviesrecht incoming

Door de inwerkingtreding van de Wet Toekomst Pensioenen (WTP) per 1 juli 2023, zijn pensioenfondsen doende vorm te geven aan de nieuwe pensioenregeling. De rol van het verantwoordings- of belanghebbendenorgaan (VO/BO) verdient in de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel in het bijzonder ook aandacht. Zeker gelet op de verschillende rechten die op grond van de Pensioenwet (Pw) aan deze organen in het kader van de transitie zijn toebedeeld.

Verantwoordings- of belanghebbendenorgaan?

Afhankelijk van het soort bestuur van het pensioenfonds wordt een VO of BO ingesteld. Voor een pensioenfonds met een paritair (gemengd) bestuur of een omgekeerd gemend bestuur is dat een VO (artikel 115 Pw). Een VO bestaat uit vertegenwoordigers van deelnemers en pensioengerechtigden.

Voor een pensioenfonds met een onafhankelijk (gemengd) bestuur is dat een BO (artikel 115b Pw). Een BO bestaat uit vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers en pensioengerechtigden. De bevoegdheden van een BO zijn ruimer dan de bevoegdheden van een VO. De reden hiervoor is dat in het bestuur van het betreffende pensioenfonds, dan geen vertegenwoordigers van werkgevers etc. zijn opgenomen.

Bevoegdheden VO en BO

De taken en bevoegdheden van een VO volgen uit artikel 115a Pw. Voor een BO is dat artikel 115c Pw. Hieruit volgt dat beide organen in de gelegenheid dienen te worden gesteld advies uit te brengen ten aanzien van bijvoorbeeld wijzigingen van de uitvoeringsovereenkomst. Het bestuur van het pensioenfonds dient er ook voor te zorgen dat wordt geïnformeerd over de beweegredenen van het voorgenomen besluit en de (te verwachten) gevolgen daarvan. Het bestuur van het pensioenfonds legt aan een VO/BO ook verantwoording af over het beleid en de uitvoering daarvan.

Instemmingsrecht of adviesrecht?

Zoals reeds opgemerkt heeft een BO ruimere bevoegdheden dan een VO. Dat volgt bijvoorbeeld uit het instemmingsrecht op grond van artikel 115c lid 9 Pw. Ten aanzien van voorgenomen besluiten tot de solidariteits- of risicodelingsreserve, of toedelingsregels is bijvoorbeeld de instemming van een BO benodigd.

In de artikelen 150b e.v. Pw zijn vervolgens specifieke voorschriften opgenomen in het kader van de transitieperiode. Zo volgt uit artikel 150m lid 4 Pw bijvoorbeeld dat het bestuur van een pensioenfonds een VO in de gelegenheid dient te stellen advies uit te brengen over het invaren. Op grond van artikel 150m lid 6 Pw heeft een BO echter een instemmingsrecht ten aanzien van een voorgenomen besluit tot invaren. Hieruit volgt dan ook de toebedeling van een ruimere bevoegdheid aan een BO.

Conclusie

Gedurende de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel bestaat (tijdelijk) geen individueel bezwaarrecht. Hierdoor kan door een individuele deelnemer géén bezwaar worden gemaakt tegen (bijvoorbeeld) het besluit tot invaren van de pensioenrechten en -aanspraken. In de begeleiding van de transitie is hierdoor een belangrijke taak weggelegd voor de VO/BO.

Een bestuur van een pensioenfonds dient tijdig advies te vragen, waarbij het voorgenomen besluit dient te zijn voorzien van een gedegen onderbouwing. Het is voor een VO/BO ook van belang de voorgenomen besluiten in samenhang te kunnen bezien.

Handelt het bestuur van een pensioenfonds in strijd met de (wettelijke) bevoegdheden van een VO/BO, dan ligt de weg open naar de ondernemingskamer van het Hof Amsterdam (artikel 217 Pw). Aan het bestuur van het pensioenfonds de taak om het niet zover te laten komen en een VO/BO tijdig te betrekken in de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel.

Voor een VO/BO is het zaak om proactief te handelen. Zeker wanneer het pensioenfonds niet de benodigde informatie verstrekt om het voorgenomen besluit te kunnen beoordelen. Het gebrek aan een individueel bezwaarrecht, benadrukt de taak die in het kader van de transitie voor een VO/BO is weggelegd als vertegenwoordigend orgaan.

Mevr. mr. Suus van Ingen
Gommer Advocaten | Pensioenrecht |Financieel Recht | Verzekeringsrecht

 


Naar het overzicht